Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Bestrijding van banditisme door de overheid


De autoriteiten reageerden op de toename van het banditisme door een strengere toepassing van het strafrecht en het uitvaardigen van regels op het gebied van vestiging en verblijf van vreemdelingen.

Een van de belangrijkste factoren waarmee rovers te maken hadden bij hun activiteiten was de (on)macht van de autoriteiten. De speelruimte die ze genoten was in hoge mate afhankelijk van de capaciteit van de overheid om paal en perk te stellen aan hun optreden. Tot aan de stichting van de Bataafse Republiek in 1796 de provincie Groningen gekenmerkt door een lappendeken van juridische competenties. Omdat er nauwelijks sprake was van een politieapparaat, was het strafrecht het belangrijkste middel om de openbare orde te handhaven.

Angst voor "rovers en gauwdieven"


In 1765 vaardigden de gezagsdragers een regeling uit, waarin de vestiging en het verblijf van joden onderwerp was. De directe aanleiding hiervoor was de angst voor "een groote bende rovers en gaudieven" die hun werkterrein van Duitsland naar de Nederlanden zou hebben verlegd. Het document is een letterlijke vertaling van een soortgelijk document uit Munster. De maatregelen dienden vooral om de controle op reizende personen te perfectioneren. Theoretisch werd het verblijf voor iemand zonder identiteitsbewijs in bijna onmogelijk.

Het toezicht op de naleving van deze maatregelen was mede opgedragen aan vervoerders en stadsdienaren. Wagenmenners en schippers mochten bij de opstapplaatsen alleen mensen aan boord toelaten op vertoon van een identiteitsbewijs, waarop zij dag, plaats en uur van inscheping moesten aantekenen. Vreemdelingen en andere verdachte personen zonder geldige documenten moesten direct uit stad of dorp te worden verwijderd.
In 1774 krijgt Simon Natans een vrijgeleide om vlees te mogen verkopen Vrijgeleide voor Simon Natans uit Noordbroek om in een deel van de provincie Groningen vlees te mogen verkopen, 1774.
(RHC GrA Tg 731 invnr. 6149)

Strenge regels voor kooplieden


Om de schapen van de bokken te kunnen onderscheiden, werd ook de beroepsuitoefening van gevestigde handelaren werd aan strenge regels gebonden. Er kwam een verbod op het colporteren met "koopmanschappen, liedjes, kijkkastjes" en het geven van vertoningen bij de huizen. Om ervan verzekerd te zijn dat de passen of identiteitsbewijzen niet op naam stonden van "verdachte" personen, mochten deze documenten alleen afgegeven worden aan personen die een verklaring van goed gedrag konden tonen.

Met uitzondering van herbergiers en logementhouders mochten inwoners geen onderdak meer verlenen aan joden, omlopers, kwakzalvers, goochelaars en bedelaars. De herbergiers moesten van alle vreemden de naam en hun beroep optekenen en van de joden, omlopers en bedelaars en dergelijke bovendien postuur en kleding. Dit 'nachtregister' dienden zij elke avond aan de autoriteiten te overhandigen. In sommige werden zelfs speciale logementen voor joden geopend.

De strenge maatregelen van 1765 sorteerden nauwelijks effect. Het bleef mogelijk illegaal in een plaats te wonen en werken. Volgens een adviescommissie over dit onderwerp was dat vooral te wijten aan de "zachtheid" van bestuur en hadden de plaatselijke ambtenaren weinig zin de bestaande regels toe te passen.
"Nachtregister" van joodse reizigers, 1781–1782 Fragment van een "Nachtregister" uit 1781–1782 van joden die logeerden in de speciaal voor vreemde joden opgerichte herberg in Veendam-Wildervank.
(RHC GrA Tg 731 invnr. 6166)

Geruchtmakende overval


Na een geruchtmakende overval in Helpman bij Groningen nam het stadsbestuur van Groningen het voortouw om tot een provinciale regeling te komen. De uiteindelijke redactie van het in 1774 uitgevaardigde document vertoonde grote gelijkenis met het plakkaat van 1765. Met één belangrijke uitzondering: de parnassim van de joodse gemeenten kregen nu de belangrijkste rol toebedeeld bij de controle op nieuwkomers. De gevestigde joden waren nu belast met de uitvoering van een deel van de taken van de overheid.

Deze maatregelen hadden maar een gering effect op het tegengaan van het banditisme; regionale verschillen in wetgeving bleven de voornaamste hinderpalen voor een doeltreffende aanpak. Pas de vestiging van een centraal georganiseerde staat in 1796, maakte een einde aan deze versnippering op juridisch gebied. De roversbenden konden nu pas effectief bestreden worden. Hierdoor verlegden die hun werkterrein hierdoor steeds verder naar Duitsland, waar in grote gebieden nog een zwakke overheid bestond.