Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


De Frankfurter rabbijnenconferentie van 1603


Tijdens de Frankfurter herfstbeurs van 1603 vond daar ook een conferentie van rabbijnen en andere joodse vertegenwoordigers plaats.

Deze trachtten gemeenschappelijke posities voor het Duitse Jodendom te formuleren. De bestaande gemeenten zouden moeten worden gestabiliseerd en de Duitse joden in een grote organisatie worden verenigd. Het congres besloot een omvangrijk geschrift waarin voor interne joodse rechtsgeschillen rabbijnse rechtbanken in vijf steden benoemd, gezamenlijke taken vastgelegd en een aantal godsdienstwettelijke regelingen overeengekomen werden.

Moises von Hamm was daar op uitdrukkelijke wens van de joden in Frankfurt en Worms als vertegenwoordiger van de Westfaalse joden aanwezig. Zijn hoge aanzien in het gehele rijk kan ook aan het plan afgelezen worden om een soort centrale kas voor de voorziene bijdragen uit geheel Noord-Duitsland in Hamm in te richten.

"Een samenzwering van rabbijnen"


Een jaar later werd de Frankfurter rabbijnenconferentie door een deelnemer, de slager Levi Krause (Löb Kraus) uit Bonn, bij de aartsbisschop van Keulen als "rabbijnensamenzwering" tegen de rechten van de Keizer en de vorsten gebrandmerkt. Levi von Bonn was agent en vertrouweling van deze en de volgende aartsbisschop en door hen in plaats van tot landrabbijn tot "opzichter" van de joden op hun territorium benoemd.

Het verwijt luidde: De in Frankfurt overeengekomen regelingen zouden tot doel hebben om de christelijke overheid uit te schakelen, bedreigden dus het Rijk van binnenuit en waren dus "hoogverraad". Deze beschuldiging van Levi stond in direct verband met de langdurige conflicten over de rechten van de rabbijnen en de keurlandheer en -bisschop van Keulen.
Levi had vanwege een ander rechtsgeschil van 1604 alle reden om Moises en Freuchen aan te vallen, die hij om hun invloed benijdde.

Politieke machtsconflicten


De daarop gealarmeerde Keizer Rudolf II leidde een onderzoek in, dat verschillende jaren duurde, zonder tot een resultaat te komen. Dit hoogverraadsproces stond in nauw verband met politieke machtsconflicten tussen de Keizer en de verschillende vorsten; de Keizer had de als leider van het onderzoek ingezette Keulse aartsbisschop aanzienlijke aandelen aan de te verwachten boetes toegezegd. Alle beschuldigde personen werden gerechtelijk verhoord ook Moises von Hamm in februari 1607 in Bonn.

De door de Duitse joden nagestreefde gemeenschappelijke organisatie op rijksniveau was na deze interventie van de Keizer en de vorsten niet meer te realiseren. De inrichting van centrale kassen voor de te innen rijksbelastingen van de joden ignoreerde de seculiere machtsgebieden en stuitte zodoende op de weerstand van de rijksstanden.