Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


1619: Rechtszekerheid voor joden?


Het vergelijkenderwijs faire rechtsgeding van Freuchen Gans tegen Dietrich von Nehem was niet volledig ongebruikelijk, mag echter niet als juridische gelijkstelling van de joden opgevat worden.

Een verblijfsvergunning voor joden uit 1703 Een verblijfsvergunning voor joden voor Wulfen (tegenwoordig Dorsten-Wulfen) uit 1703.
Afbeelding: Jüdisches Museum Westfalen
Schending van het recht en rechtsgeschillen waren voor joden omstreekt 1600 aan de orde van de dag – de gijzeling van Lembeck was geen op zichzelf staand geval. Het gevaar strekte zich uit van kleine discriminaties en laster tot uitwijzing, beroving en levensgevaar.

Overlevingskansen op het platteland


"Vrijgeleidebrieven" Deze term opzoeken in het glossarium betekenden voor de joden een zekere veiligheid; in een tijd zonder sterke centrale staatsmacht kon deze veiligheid echter alweer aan de grens van het volgende kleine machtsgebied eindigen. Deze verdeling verhinderde echter ook een totale verdrijving van de joden – in de regio's en vooral op het platteland bestonden steeds weer mogelijkheden om zich terug te trekken en bestaansmogelijkheden te realiseren.
Van 1554 tot 1810 waren joden in Munster bijvoorbeeld als woonbevolking niet toegelaten; in de regio Paderborn (bisdom) werden ze in hoge mate getolereerd.

Ook Moises von Hamm had ondanks een relatief veilige situatie onaangename ervaringen opgedaan: Bij de voorjaarsmarkt in 1603 – een tot op de huidige dag plaatsvindende jaarmarkt - was hij in Munster gearresteerd. De stad was als handelsplaats voor de familie Gans en andere joden erg belangrijk. En de familie Gans kon onder verwijzing naar het rijksrecht argumenteren, dat ook voor joden ongehinderde toegang tot alle jaarmarkten was gegarandeerd.
Sommige territoriale heersers verleenden het privilege van "hofjoden" Deze term opzoeken in het glossarium , dat wil zeggen dat ze individuele joden tegen levering van financiële en andere diensten economische werkzaamheden toestonden die slechts in geringe mate beperkt werden. Een blijvend domicilierecht was daarmee niet verbonden - maar wel afhankelijkheid van de genade en willekeur alsmede van de individuele economische belangen van de landsvorsten.