Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Jacob Mozes: Grondlegger van de Grote Nederlandse Bende


"In den achtziger Jahren des zu Grabe gegangenen Jahrhunderts lebte zu Windschoot bey Groningen in Friesland eine Juden-Familie, die man ohne alle Übertreibung als die fruchtbare Mutter aller der famösen Räuber-Chefs vom Zuydersee bis an die Donau [...] ansehen kann. Man kann mit Recht sagen, daß unter den tausend gewaltthätigen schrecklichen Diebstählen [...] diese Juden-Familie vielleicht an neunhundertfünfzig [...] Antheil genommen hat."

Het in 1804 gepubliceerde boek van Becker Titelblad van het in 1804 gepubliceerde boek van B. Becker over roversbenden.
Dit schreef in 1804 de "Sicherheits-Beambte" van het 25 kilometer ten westen van Bingen gelegen district Simmern, B. Becker, in zijn "actenmässige Geschichte der Räuberbanden an den beyden Ufern des Rheins". Over deze Jacob Mozes is veel geschreven, maar hij bleef tot voor kort in de bronnen moeilijk te traceren. Toch was hij voor de justitiŽle autoriteiten van Winschoten geen onbekende. De autoriteiten van het Groningse district het Oldambt en de provincie Drenthe beschuldigden in 1776 Jacob Mozes. Hij zou samen met Ernst de zilversmid, David Jacobs of klein David, Hartog Feijtsburger, Johan Hendrik en Samuel Levie een overval hebben gepleegd op een huis in het Drentse Rolde. In het onderzoeksdossier staan vele biografische gegevens omtrent Jacob Mozes.

Joden moesten betalen voor een vrijgeleide


Zo blijkt hij omstreeks 1735 in Nordstetten, dertig kilometer ten zuid-westen van Tübingen, te zijn geboren. De plaats stond toen onder gezag van de heren Keller von Schleitheim. Joden konden zich hier sinds 1712 vestigen mits zij daarvoor betaalden. Joden die geen Ďbeschermingsgeldí diesen Begriff im Glossar nachschlagen konden betalen, verloren het recht op inwoning. Op twintigjarige leeftijd besloot Jacob Mozes, zoals zoveel van zijn lotgenoten voor hem al hadden gedaan, zijn geluk in de Nederlanden te beproeven. Hier was het vestigingsbeleid ten opzichte van joden minder beperkt. Jacob Mozes koos 's Gravenhage als woonplaats. Tot 1772 woonde hij in deze stad en legde zich toe op de kunst van het zegelsnijden.

Omstreeks 1763 huwde Jacob Mozes in Amsterdam met Sara IsraŽls. Van zijn vrouw wordt in de literatuur vermeld, dat ze eigenlijk Sara Ringelburg heette, en uit een christelijk herbergiergezin uit Düsseldorf stamde. Vanwege de zwakke gezondheid van zijn vrouw verhuist het gezin omstreeks 1772 naar Winschoten. In 1776 had het echtpaar acht kinderen. Van vijf van hen kennen we de naam: Rebecca, Dinah, Roosje, Lea of Helena en Abraham.
Jacob Mozes staat genoteerd op een lijst van joodse inwoners van Winschoten, 1774 Op een lijst van joden die in 1774 in Winschoten woonden, is ook de naam van Jacob Mozes alias Jacob Singnetsteeker genoteerd.
(RHC GrA Tg 731 invnr. 6149)

Op vrije voeten gesteld


Hoewel er alle aanleiding was om Jacob Mozes te verdenken van medeplichtigheid aan de overval in Rolde, stelde men hem op vrije voeten. Door middel van een wirwar van verklaringen, waarin de autoriteiten van het Oldambt volledig het spoor bijster raakte, wist hij aannemelijk te maken hoe hij in het bezit was gekomen van goederen afkomstig van de overval. Het keer op keer natrekken van zijn alibi's nam bovendien zoveel tijd in beslag, dat getuigen zichzelf begonnen tegen te spreken. Om de waarheid boven tafel te krijgen, zette de Oldambster autoriteiten zelfs infiltranten in.

Dat hij nu voorwerp van gerechtelijke onderzoeken was, was voor Jacob Mozes waarschijnlijk aanleiding om opnieuw te verhuizen. In dit verband is een eind juli 1780 uit Winschoten verzonden brief interessant. De brief schijnt op het eerste gezicht verder vrij onschuldig van inhoud. De schrijver doet iemand de groeten en deelt mee dat er in de omgeving van zijn woonplaats veel wol is. Zoveel, dat een aantal hoedenmakers een rijkelijk belegde boterham zou kunnen verdienen. Verder laat hij weten dat een gemeenschappelijke kennis onlangs naar Brabant is vertrokken. Deze kennis is melkkoopman van beroep en zou 's morgen tegen vieren al de melk ophalen.
Brief waarin melding wordt gemaakt van een geschikt object voor een overval, 1780 Een door rabbijn Isaak Joseph Cohen uit het Jiddisch vertaalde brief waarin waarschijnlijk melding wordt gemaakt van een geschikt object voor een overval, 1780.
(RHC GrA Tg 136 invnr. 2003)

Onschuldig op het eerste gezicht


Naar alle waarschijnlijkheid was de inhoud van de brief veel minder onschuldig dan het op het eerste gezicht lijkt. Volgens afspraak bracht de schrijver de geadresseerden op de hoogte van een geschikt object voor een overval. En passant berichtte hij dat een gemeenschappelijke vriend met nogal vreemde gewoontes naar Brabant was vertrokken. En wie anders dan Jacob Mozes zou dit kunnen zijn? Begin 1780 wordt hij nog genoemd als inwoner van Winschoten en in 1781 niet meer. Bovendien is van hem bekend dat hij in de tachtiger jaren van de achttiende eeuw in Brabant betrokken was bij een omvangrijk netwerk van rovers, dat bekend stond als de Grote Nederlandse Bende.