Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Joden in de kledingindustrie te Groningen


Vooral in de jaren vijftig van de twintigste eeuw vonden in de kleding- en textielindustrie vele handen werk.

Fabriek van de familie De Levie te Groningen Een deel van de in de stijl van de Amsterdamse school gebouwde fabriek van de familie De Levie, circa 1935.
(Foto: S.J. Bouma /RHC GrA Tg 1785 invnr. 28195)
Het was de tweede bedrijfstak in de stad.

Het merendeel van de confectie-industrie in de stad Groningen was ooit door joden gesticht. Het zijn vooral de families De Levie en Van Dam, die beschouwd kunnen worden als de founding fathers van de plaatselijke confectie-industrie. Waarom de joden hierbij zoín belangrijke rol speelden, willen we illustreren aan de hand van de lotgevallen van de familie Van Dam.

De eerste vraag is of er in de geschiedenis bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen, die hebben bijgedragen aan de relatie tussen joden en confectie. In Nederland kwam de industrialisatie later op gang dan in de omringende landen. Pas na 1850 verandert hier de wijze van produceren. Handwerk maakte plaats voor machinale massaproductie. Overigens gold dat nog niet voor kleding. In de confectie-industrie zette het proces van massaproductie pas aan het begin van de twintigste eeuw in.
Aquarel voorstellende een uitdragerij, circa 1888 Aquarel van Jozef IsraŽls uit circa 1888 van een uitdragerswinkel waar gedragen kleding werd verkocht.
(Amsterdam, Rijksmuseum inv. nr. A2608)

Kleding was duur


In de tijd vóór de industriŽle revolutie was kleding duur. Het inkomen van de lagere klassen was nauwelijks toereikend voor het dagelijkse levensonderhoud. Voor de aanschaf van nieuwe kleren was er meestal geen geld. In het zeldzame geval dat iemand uit armere bevolkingsgroepen al iets nieuws kocht, droeg men dit zo lang mogelijk.

Een indruk hoe kostbaar kleding was, zien we aan de inhoud van testamenten. Zelfs ouders uit de rijkere middenklasse lieten hierin aan hun kinderen veelal hun eigen kleding na. Het is dus niet verwonderlijk dat er een levendige handel in gebruikte kleding was. Allerlei omstandigheden begunstigden de betrokkenheid van vooral joden bij deze handel in gebruikte kleren.

In de stad Groningen was koopmanschap alleen toegestaan aan leden van het koopliedengilde. In de stad was dat aanvankelijk het enige gilde dat open stond voor joden. Pas in het laatste kwart van de 18e eeuw konden joden als gevolg van veranderende gedachten over de positie van de joden ook van andere gilden lid worden.

Op aandringen van het stadsbestuur


Er was wel enige druk van het stadsbestuur voor nodig om dit mogelijk te maken. Want de besturen en de leden van de gilden wilden het liefst de joden weren, die zij beschouwden als onwelkome concurrenten. Maar arme joden konden niet profiteren van deze liberale opstelling van het stadsbestuur. Het lidmaatschap van een gilde was erg duur. Iemand die lid wilde worden, moest entreegeld betalen en tevens het burgerrecht van de stad kopen. Veel arme joden waren dan ook aangewezen op de handel in ongeregelde goederen. Ongeregeld is hier letterlijk bedoeld: de handel in goederen waarvoor geen regels golden. En meestal waren dat gebruikte goederen.
Verklaring van goed gedrag voor de koopvrouw Hester Marcus uit Winschoten, 1774. Verklaring van goed gedrag voor de koopvrouw Hester Marcus uit Winschoten voor het aanvragen van een vrijgeleide, 1774.
(RHC GrA Tg 731 invnr. 6149)
Officieel was de situatie op het platteland van de provincie Groningen niet veel anders. Een regeling uit 1754 bepaalde hier dat joden alleen als slager mochten werken. De zogenaamde "burgernering" (dat wil zeggen handel die alleen aan gildeleden was voorbehouden) en kleerkopersnering was voor hen verboden.

Regelingen niet nagevolgd


In de dagelijkse praktijk werd deze regeling niet nagevolgd. Er zijn talloze voorbeelden bekend van joden die een winkel bezaten. Ook zijn meerdere officiŽle en goedgekeurde aanvragen om een vestigingsvergunning opgetekend, waarbij de aanvragers te kennen geven de kost te willen verdienen met de verkoop van textiel. Onder textiel moeten we overigens nog geen kleding verstaan, maar stoffen om door de plaatselijke kleermaker kleding te laten maken.

Op het platteland was de meerderheid van de joden eveneens arm. Het grootste deel van hen was niet in staat de investeringen te doen voor het handelen in textiel. De meerderheid verdiende de kost met de handel in ongeregelde goederen. Dat kon van alles zijn: ijzerwaren, haar, beenderen, lint, veters en oude kleding.

Joden trokken door grote delen van de provincie om koopwaar in te kopen of te verkopen. Hierbij moesten ook de kinderen hun steentje bijdragen, die al op jonge leeftijd hun vaders vergezelden. In sommige gevallen gingen zelfs de vrouwen op pad.

Dit leverde weliswaar zelden voldoende inkomsten op om te ontsnappen aan armoede en ontbering. Toch is het vanuit een historisch gezichtspunt geen negatief verhaal. Het voortdurend onderweg zijn in verschillende delen van de provincie, verschafte de joden inzicht in de wensen van de consumenten; ze bouwden kennis op over allerlei verschillende producten; ze deden ervaring op over de onderhandelingsmethodes. Met een moderne term zouden we nu zeggen: ze bouwden kennis op over de markt.

Lees ook de volgende verhalen