Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Bevrijd!


Christianstadt scheen na Birkenau bijna een paradijs, zo vertelt Salla Zimet in haar herinneringen.

Het hele kamp was nieuw en ruim van opzet. In plaats van met een paar honderd in een barak, sliep men nu slechts met 16 mensen in een kamer; alle bedden waren zelfs voorzien van een strozak en bovendien kreeg iedereen een deken. Tot hun verbazing waren er zelfs houten kluisjes voor elke gevangene. Dat het kamp was bedoeld voor de huisvesting van niet-joodse dwangarbeiders biedt ongetwijfeld een verklaring voor dit "paradijselijk" onderkomen.

Beide zusjes werden tewerkgesteld. Minna, de oudste zus, moest in een bommenfabriek werken. Salla, toen vijftien jaar, helpen bij de aanleg van een vliegveldje, waarvoor ze bomen moest kappen, wagens met zand vullen en allerlei ander werk. Dit alles niet met de hulp van machines, maar met de hand. In Christianstadt ontmoetten beide zusjes Miep Cohen, die ze uit Groningen kenden en die de uitgifte van het dagelijkse rantsoen eten verzorgde. Dankzij Miep Cohen kreeg Salla een extra portie voedsel, die beide zusjes deelden. Puur geluk zorgde ervoor dat ook Salla een plaatste kreeg in een fabriek. Andere vrouwen in haar werkcommando, die dat geluk niet hadden, werden op transport gesteld.

15 Januari 1945 werd het kamp ontruimd; de kanonnen van het Russische leger waren al duidelijk hoorbaar. Onder begeleiding van oudere Wehrmachtsoldaten en een jonge SS-officier vertrok een colonne van ettelijke honderden meisjes voor een dodenmars naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Het was koud, de meisjes kregen onderweg nauwelijks te eten en ze sliepen in boerenschuren. Na een mars van ongeveer 420 kilometer bereikte de groep op 9 maart 1945 Bergen-Belsen; veel meisjes hadden de tocht niet overleefd.

Dat beide zusjes in Bergen-Belsen de oudste zuster Feige nog aantroffen kan gerust wonderbaarlijk worden genoemd. Toch overleefden Minna en Salla de oorlog bijna niet. Toen de Engelsen op 15 april 1945 het kamp bevrijdden, lagen beide meisjes met tyfus in de ziekenbarak. Uiteindelijk wisten ze ook deze ziekte te overwinnen en keerden in juni 1945 terug in Nederland. Maar in Nederland konden ze niet meer wennen. Er woonde geen familie meer, vrijwel de hele joodse gemeenschap was uitgemoord. Zo besloten ze naar Palestina te vertrekken, waar hun oma van moederskant en neven en nichten al voor het uitbreken van de oorlog naartoe waren gegaan.