Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Het vrijkopen van de joodse kooplieden


De beide kooplieden Jacob Kaufman en Leser Judd werden maandenlang in Lembeck gevangen gehouden.

Proces-verbaal uit 1602 over de wederwaardigheden in Lembeck Proces-verbaal uit 1602 over de wederwaardigheden in Lembeck en het daarop volgende overleg.
Afbeelding: Joods Museum Westfalen
De regering van Kleef, die de beide kooplieden een vrijgeleide uitgereikt had, kwam tussenbeide, evenals de burgemeester van Kaufman’s woonplaats Rees en van Wesel aan de Beneden-Rijn; de prins-bisschoppelijke regering van Munster verlangde een rapport. Het feit dat de slotheer van Lembeck en de beide Nederlandse ruiters over hun aandeel in het losgeld streden, maakte de zaak nog moeilijker.

Pas op 16 april 1603 kwam het tot een schikking. Het bestuur van de stad Büderich (woonplaats van Lazarus Judd) had de baron van Westerholt zu Lembeck verzocht om de joden "uit genade en barmhartigheid" vrij te laten.

Zware straffen


Wegens een "niet begeleid" verblijf moesten Kaufman en Leser een boete van 375 "Reichsthaler" (rijksdaalders) betalen: 25 rijksdaalders boete aan de slotheer en 350 rijksdaalders premie voor de ruiters, waarvan de slotheer weer 56 daalders voor kost en inwoning van de ruiters alsmede de verzorging van hun paarden incasseerde – een hoog bedrag voor de toenmalige tijd.
Omdat noch de regering van Kleef noch die van de prins-bisschop van Munster tegen deze handeling protesteerde, voelde zich de Lembecker graaf van Westerholt in zijn juridische interpretatie bevestigd.