Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Een jood zou de "eer van de universiteit" kunnen bezoedelen


Alexander Haindorf promoveert in 1810 in Heidelberg tot doctor in de medicijnen.

Portretgravure van Alexander Haindorf Portretgravure van Alexander Haindorf.
Afbeelding: Joods Museum Westfalen
Zijn proefschrift "Versuch einer Pathologie und Therapie der Gemüths- und Geisteskrankheiten" (Essay over de pathologie en therapie van de gemoeds- en geestesziekten) wordt door de groothertog van Baden met een gouden medaille onderscheiden.

Een jaar later habiliteert zich Haindorf en voldoet daarmee aan de voorwaarde voor een professoraat. Als reden voor de afwijzing van zijn verzoek van 15 juni 1812 met betrekking tot een buitengewoon professoraat wordt door de faculteitsraad aangegeven, dat Haindorf Westfaler, dus buitenlander is en zich bovendien eerst als privédocent moet vestigen.

Doorslaggevender is vermoedelijk de vijandigheid tegenover joden: De "eer van de universiteit" zou door de benoeming van een joodse professor kunnen worden geschaad, temeer daar "nog geen enkel voorbeeld voorhanden [is], dat op enige universiteit in Duitsland een jood als openbare leraar werkzaam geweest is", aldus het rapport van de Heidelberger professor in de medicijnen Franz Xaver Moser.

Vestiging in Munster


In 1815 vestigt zich Haindorf in Munster, dat na het einde van de Franse heerschappij tot de nieuw gevormde provincie Westfalen behoort met aan het hoofd de civielgouverneur Ludwig von Vincke. Vincke, die het voor het overige absoluut met de anti-joodse politiek van Pruisen eens is, zet zich voor Haindorf bij de universtiteit van Munster in en bereikt een collegevergunning als privédocent aan de medische faculteit, echter geen leerstoel.
Een volgende kandidatuur van Haindorf op een leerstoel, die hij met steun van Vincke direct aan het ministerie van binnenlandse zaken in Berlijn richt, wordt door de minister op grond van het advies over de "algemeen ongunstige beoordeling" van Haindorfs publicaties afgewezen. Dit antwoord verrast ook gezien de met een prijs onderscheiden dissertatie. Twijfel aan een objectieve beslissing wordt ook gevoed door het feit, dat de uit Munster afkomstige staatsraad en adviseur op het ministerie, Schmedding, eind juni 1815 tegenover Vincke aangekondigd had, dat hij de benoeming van Haindorf op grond van zijn joodse getuigenissen wilde verhinderen en het ministerie in Berlijn het verzoek eveneens niet zou inwiligen.

In tegenspraak met de negatieve uitingen in het advies is echter wel, dat Haindorf als privédocent colleges aan de medische faculteit Munster mag geven.
Titelblad van het "Emancipatie-edict" uit 1812 Titelblad van het "Edict betreffende de burgerlijke verhoudingen van de joden in de Pruisische Staat" van 1812.
Ondanks de Pruisische emancipatieverordening van 11 maart 1812 verleent de staat nog tot het midden van de 19de eeuw uitsluitend professoraten en andere staatsfuncties aan joden, die zich willen laten dopen.

Als 'dirigent' van de "Vereniging ter bevordering van het ambacht onder de joden en ter oprichting van een school waar arme en tot wees geworden kinderen onderwezen en toekomstige joodse onderwijzers opgeleid zullen worden" (later: "Marks-Haindorf-Stichting") wordt Haindorf ambtelijk als 'professor' aangesproken, zonder dat de officiŽle verlening van deze titel kan worden aangetoond.