Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


De Marks-Haindorf-Stichting in Münster (1825Ė1942)


De stichting vindt haar oorsprong...

Titelblad van de oprichtingsstatuten Titelblad van de oprichtingsstatuten uit 1825.
(Joods Museum Westfalen)
... in de door Alexander Haindorf opgerichte "Verein zur Förderung von Handwerken unter den Juden und zur Errichtung einer Schulanstalt" (Vereniging ter bevordering van het ambacht onder joden en de oprichting van een onderwijsinstelling) op 28.11.1825. Het doel van de vereniging is de verbetering van de joodse opleidingsinstellingen om te komen tot een burgerlijke en staatsburgerlijke emancipatie van de joden. Haindorf, die zichzelf als Duitser van joods geloof zag, streeft evenals de Pruisische schoolhervormers in hun "Nationalerziehungsplan" (Nationaal Opvoedingsplan) naar de "veredeling" en "verbetering" van de mensheid, die uiteindelijk de "verbetering" van de staat zou moeten dienen. Hij laat zich door het principe van de "algemene vorming van de mens" leiden en richt zich naar de pedagogische hervormingsbeweging van het filantropisme (Johann Bernhard Basedow).

In een brief van december 1825 beschrijft Alexander Haindorf het doel hören Sie dazu einen kurzen Audiobeitrag van de oprichting van zijn stichting.
Aan zijn onderwijsinstellingen werden aanvankelijk scholieren onafhankelijk van hun sociale afkomst, geloof en geslacht onderwezen. In tegenstelling tot het traditionele joodse opvoedingsprincipe ziet hij in de gezamelijke educatie een waardevolle verrijking van het onderwijs. De uitsluiting van vrouwen uit het openbare hogere onderwijs is echter over het algemeen in de 19de eeuw in de praktijk gebruikelijk. Haindorf is een vroege vertegenwoordiger van de religieus-liberale hervormingsbeweging. Deze ziet de emancipatie van de joden vooral als een kwestie van vorming en opleiding. Haindorf keert zich zowel tegen een door het "rabbinisme" gekenmerkt, zich isolerend jodendom als tegen een eenzijdige aanpassing van de joden aan de christelijke maatschappij. Veeleer propageert hij een "samensmeltingssproces", een wisselwerking van de joodse en christelijke cultuur. Zijn basisprincipes zijn het uit de weg ruimen van de christelijk joodse tegenstellingen en de bevordering van de wederzijdse geestelijke beÔnvloeding tussen de beide cultuurgroepen, zonder echter het joodse geloof op te geven.

Joodse en niet-joodse onderwijzers


Op zijn school is Duits de onderwijstaal. Religie wordt voor de joodse, protestantse en katholieke scholieren gescheiden gegeven. Het collegium bestaat uit joodse en christelijke leraren. Het gaat Haindorf niet om de opheffing van de confessionele verschillen, maar om de wederzijdse acceptatie en het respect voor het christelijke en joodse geloof onder de leerlingen.
37ste jaarverslag van de stichting Titelfoto van het 37ste verslag van de Marks-Haindorf Stichting.
(Joods Museum Westfalen)
In 1836 wordt de Munsteraner vereniging ook buiten Westfalen met de verantwoording over de Rijnprovincie belast en krijgt daardoor bovenregionale betekenis. De veranderde verenigingsnaaml duidt op de uitbreiding van het onderwijsprogramma op de lerarenopleiding: "Verein für Westfalen und Rheinprovinz zur Bildung von Elementar-Lehrern und Beförderung von Handwerken unter den Juden" (Vereniging voor Westfalen en de Rijnprovincie voor de opleiding van onderwijzers aan basisscholen en de bevordering van het ambacht onder de joden). Omdat de vereniging als privé-initiatief geen publieke gelden en donaties mag ontvangen, probeert Haindorf publiekrechtelijke erkenning en toezicht te bereiken. Na een 10-jarige procedure krijgt de basisschool van de vereniging in 1938 deze erkenning. Een donatie van 25.000 daalders door Elias Marks is in dit verband een wezenlijke voorwaarde.

Door deze schenking naast de meestal geringe bijdragen van de over 't algemeen arme joodse gemeenten kunnen gekwalificeerde onderwijzers redelijk betaald en stages voor leerlingen inclusief de huisvesting bij christelijke meesters gefinanceerd worden. Overeenkomstig de politiek van het Pruisische ministerie van onderwijs om simultaanscholen te vermijden en joodse scholen van de christelijke te scheiden, is aan de erkenning de voorwaarde verbonden, dat alleen nog joodse kinderen toegelaten worden. Tot dan toe werd de Haindorf-school vanwege het uitstekende opleidingsniveau ook door de liberale burgerij in hoge mate geaccepteerd, hetgeen een positief effect op het donatiegedrag had.
Scholieren en docenten van de Marks-Haindorf school, 1914 Scholieren en docenten van de Marks-Haindorf school in Münster, 1914.
Foto: uit privébezit
In andere plaatsen streefde de liberale stedelijke joodse "upper ten" ernaar om voor hun kinderen een gekwalificeerde opleiding en de overgang naar hogere onderwijsinstellingen mogelijk te maken. De Haindorf-basisschool is op grond van de donatie van de schoonvader financieel slechts ten dele van de synagogengemeenten afhankelijk.

"Belangrijke joodse school"


Op plaatsen waar deze gemeenten de joodse scholen volledig moeten onderhouden, komt dit tot uitdrukking in een onzekere positie van de onderwijzers en een overeenkomstig slecht opleidingsniveau. In een verslag over de toestand van het joodse schoolwezen in het regeringsdistrict Munster wordt in 1830 de Haindorf-school als "belangrijkste israŽlitische school" aangeduid, die zich geleidelijk als systematisch georganiseerde "middelbare school" of "hogere stadsschool" een gevestigde positie verworven heeft.

Na de dood van Haindorf in oktober 1862 neemt zijn schoonzoon Jakob Loeb de leiding van de vereniging over, die in 1866 in een publiekrechtelijk lichaam, de "Marks-Haindorf-Stichting", omgezet wordt.

Met de technisch-industriŽle herstructurering van Pruisen wordt de belangstelling van joodse jongens voor een stage als leerjongen duidelijk minder en de stichting stopt omstreeks 1900 met de financering en bemiddeling van stages in de ambachtsbranche. Daarmee geeft ze het oorspronkelijk in de statuten vastgelegde doel van de beroepsverschuiving van joden van de handel naar de ambachtssector op. Na de opheffing van het instituut voor de lerarenopleiding (1926) concentreert zich de stichting tijdens het nationaal-socialisme op de voortzetting van de joodse volksschool. De stedelijke subsidie voor de school valt reeds in 1933 op grond van een besluit van het stadsbestuur van Munster weg. Na het november-pogrom worden daarna met de verordening van 17 december 1938 alle staatssubsidies voor joodse privéscholen geschrapt. De financering van de Marks-Haindorf-volksschool ligt nu uitsluitend bij de synagogengemeente.

Met de gedwongen onderbrenging van de joodse scholen in de "Reichsvereinigung der Juden in Deutschland" (Rijksvereniging der joden in Duitsland) in 1940 wordt het bestaan van de Marks-Haindorf-Stichting de jure beŽindigd.

Lees ook de volgende verhalen