Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


De eerste deportaties


Voorbode van de eerste deportatie vormde de keuringsplicht...

... die op 24 juni 1942 werd afgekondigd. Joodse mannen tussen de 16 en 55 jaar dienden zich te melden met het oog op te verrichten arbeid in de werkkampen. Deze keuringen vonden op 25 en 26 juni plaats in de oude HBS aan de Violenstraat. Volgens de joodse arts Isidor van Hal werd vrijwel iedereen door de NSB-artsen goedgekeurd:

"In zes, zeven uur werden veertienhonderd mensen gekeurd. Ook mensen met kunstledematen, hartafwijkingen et cetera werden goedgekeurd. Geen gewicht werd gecontroleerd, geen urine-onderzoek en dergelijke. [...] Attesten werden niet eens ingezien."
Wolf David Zimet en zijn vrouw Gelle Löffelholz De in 1933 vanuit Berlijn naar Groningen gevluchte Wolf David Zimet en zijn vrouw Gelle Löffelholz.
(Foto: J. van Gelder, Terug van weggeweest, p. 150)

Naar werkkampen vervoerd


Op 10 juli 1942 werd Wolf David Zimet met een groep van ongeveer 850 joodse mannen – waarvan zo'n 600 afkomstig uit de stad en de overige uit de provincie - naar zogenaamde werkkampen afgevoerd hören Sie dazu einen kurzen Audiobeitrag. Om te zorgen dat iedereen ook werkelijk thuis zou zijn, was op 28 juni bepaald dat het "Joden onder alle omstandigheden verboden" was "de stad hunner inwoning te verlaten". Opperrabijn Dasberg vertrouwde toen nog op het woord van de bezetter. In een bijeenkomst in de synagoge sprak hij de volgende woorden: "Ik heb de zekerheid gekregen van de Duitse autoriteiten, dat de oproep alleen geldt voor werkkampen in Nederland en dat u rustig kunt gaan."

Het lijkt een ongelukkig advies. Maar in november 1941 vertoefden ook al zo'n 60.000 niet-joodse Nederlanders in soortgelijke kampen, dus is het vertrouwen van de rabbijn begrijpelijk. Dat onderscheid werd gemaakt in joodse en niet-joodse kampen, dat in joodse werkkampen de uitkeringen 20 procent lager lagen en dat niet-joodse arbeiders eens in de drie weken naar huis konden terwijl men de joodse vasthield, was wellicht onredelijk, maar paste geheel in het dissimilatiebeleid van de Duitse bezetter.

Slechts enkelingen doken onder


Slechts enkelingen negeerden het advies van de rabbijn en doken onder. Het overgrote deel van de opgeroepen mannen vertrok wel naar de werkkampen, en was niet eens zo slecht te spreken over het verblijf aldaar. Salomon de Jong noteerde over zijn transport van 10 juli 1942 vanuit Groningen dat zij (de gedeporteerden) door "massa's mensen [werden] gegroet" en dat "overal waar we langskwamen" de politie de boel had afgezet. Bij aankomst in het kamp Kloosterhaar werden de mannen verdeeld over elf kamers, werkten op de heide en kregen weinig, maar goed te eten.