Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Rabbijn zonder autoriteit


De landrabbijn (opperrabbijn) moest twee taken vervullen:

Hij moest de regering als deskundige bij de "reorganisatie van de jodenorganisatie" ter zijde te staan. Voor de joodse gemeenten stond hij als adviseur en rechter in cultus- en schoolzaken ter beschikking.

Zijn salaris moesten de gemeenten van zijn rabbinaatsdistrict betalen. Omdat de joodse religie slechts de status van een "gedulde religie" bezat, gold het ambt van rabbijn niet als kerkelijk ambt. De gemeenten waren slechts in twee procedures op de werkzaamheden van een rabbijn aangewezen. Hij was namelijk verantwoordelijk voor huwelijksvoltrekkingen en scheidingen alsmede voor de toelating van joodse slachters en daarmede voor de verzorging met ritueel geslacht vlees.

Na de opheffing van het jodenprivilege in 1750 was zelfs het recht om huwelijken te voltrekken niet meer alleen de rabbijn voorbehouden. In principe kon iedere in religie onderwezen jood deze handelingen zonder bijstand van de rabbijn verrichten. Huwelijksvoltrekkingen van joden golden echter alleen als geldig, wanneer de Hebreeuwse huwelijksakte – de ketoeba – door de rabbijn of een door hem gemachtigde uitgereikt werd.

Het "binnendringen" van "buitenlanders"


Een decreet van de Pruisische regering van 3 september 1831 ontnam echter huisvaders het privilege om zelf huwelijksvoltrekkingen te mogen uitvoeren, omdat daarbij niet altijd gegarandeerd was dat aan de wetgeving voldaan werd. Door deze particuliere huwelijksvoltrekkingen was namelijk vaak het "binnensluipen" van "buitenlanders", – dus van joden en jodinnen uit andere provincies – mogelijk geworden.

Aan dit decreet herinnerde Abraham Sutro in 1841 de burgemeester van Dorsten, Luck, om hem op het onwettige gedrag van Samson Nathan Eisendrath attent te maken. Bij de huwelijksvoltrekking van zijn zoon Levy met Angela Cohen uit Laer had deze een
niet-geautoriseerde ambtsdrager de huwelijksvoltrekking opgedragen, en wel "buiten het district alhier" in Gahlen.
Vermoedelijk had zich Sutro aan Eisendrath geërgerd, die zich niet alleen door de eigenmachtige inrichting van een eigen synagoge van de "oud-mosaïsche" groep afgescheiden had, maar bovendien in Sutro’s ogen niet aan zijn verplichting als gemeentebestuurder voldeed om het salaris voor de landrabbijn in te vorderen. Jaar voor jaar moest Sutro in dit verband bij de overheid de klacht indienen, dat uitgerekend de conservatieve gemeenten Dorsten en Recklinghausen zijn loon niet betaalden.