Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Het joodse schoolwezen in een "uitermate troosteloze toestand"


De landrabbijn Abraham Sutro kwam nog een tweede keer, vele jaren na de synagogenstrijd van 1820, naar Dorsten om een conflict te beslechten.

Handtekening van de landrabbijn Abraham Sutro Handtekening van de landrabbijn Abraham Sutro.
Afbeelding: Joods Museum Westfalen
"Bij gebrek aan overeenstemming" – aldus burgemeester Luck in 1823 – had de joodse gemeente "tot nu toe zelden of bijna nooit" een leraar gehad. Dat lag enerzijds aan de financiŽle bijdrage, die de armere families niet konden betalen, anderzijds aan religieuze strijdvragen. Het salaris van een leraar was namelijk nauwelijks voldoende om van te leven. Daarom moesten de joodse families ook een bijdrage aan de huisvesting en het levensonderhoud van de leraren leveren. Deze geraakten hierover in een langdurig conflict verwikkeld, wat in Dorsten zoals in vele andere plaatsen tot een afscheiding leidde. Dit conflict tussen de orthodoxe en de hervormde richting ontbrandde vanaf 1853 opnieuw hevig in de synagogengemeente Dorsten.

Het toezicht op onderwijs- en schoolzaken behoorde tot de taken van de landrabbijn. In 1816, een jaar na zijn ambtsaanvaarding, beklaagde Sutro zich bij het ministerie van binnenlandse zaken in Berlijn over de desolate toestand, die hij aangetroffen had. Vier jaar later stelde de Koninklijke Regering in Munster vast: "Op het ogenblik bestaat helemaal geen school- en zelfs geen kerkverbond meer. Iedereen die dat wil, haalt zijn kinderen van school weg en houdt dan op te betalen. De interventie van de landrabbijn is vergeefs. De joden houden niets van zijn verordening, wanneer zijn eisen niet door de overheid in de praktijk worden omgezet."
Verklaring van geen bezwaar voor Simon Rosenbaum Verklaring van geen bezwaar voor de verhuizing van de leraar Simon Rosenbaum naar Dorsten uit 1858.
Afbeelding: Joods Museum Westfalen

Conflicten tussen Gemeente en onderwijzers


De joodse gemeente had in 1859 de kandidaat-onderwijzer en voorzanger Simon Rosenbaum in dienst genomen, die op de gerenommeerde "Marks-Haindorf pedagogische academie" op zijn beroep was voorbereid. De liberale geest van dit opleidingsinstituut in Munster heeft de conflicten misschien verscherpt, die zich in de jaren 50 en 60 van de 19de eeuw tussen de Dorstener gemeenten en hun leraren ontwikkelden. De vertegenwoordigers van de "oud-mosaÔsche ritus" verweten de leraar en voorzanger Rosenbaum al spoedig na zijn benoeming ernstig plichtsverzuim.

De ingrijpende splitsing van het toenmalige jodendom in orthodoxe en hervormde groeperingen uitte zich in Dorsten in het conflict tussen het zogenaamde representantencomité en het liberale bestuur. Het orthodox georiŽnteerde representantencomité verweet leraar Simon Rosenbaum dat hij niet regelmatig de godsdienstoefeningen bezocht en ook de kinderen niet daartoe aanspoorde. Als voorzanger zou hij verplichte gebeden weglaten en de betekenis van bepaalde gebruiken en ceremonies relativeren. Tegelijk beklaagden de klagers zich over het bestuur, dat "zijn hoge plicht niet schijnt te kennen".

Religieuze nalatigheden


De representanten dienden hun klacht bij de Koninklijke Regering in Munster in onder verwijzing naar de landrabbijn: "Wat de religieuze overtredingen en nalatigheden betreft, zal opperrabbijn Abraham Sutro in Munster verklaren dat de aan de dag gelegde tendens gewoonweg in strijd met de mosaÔsche resp. wezenlijke kernpunten van onze religie is, en dat wij de persoon Rosenbaum als godsdienstleraar om die reden onmogelijk verder kunnen gebruiken."

Abraham Sutro echter – hoewel als orthodox bekend – vervulde deze verwachting niet en sloot zich aan bij de tevreden mening van het gemeentebestuur; het gemeentebestuur van Dorsten deelde op 1 september 1859 de bevoegde districtscommissaris mee: "De opperrabbijn Sutro heeft op de dertigste van deze maand de joodse school hier ter plaatse bezocht en is, zoals wij van het bestuur van de synagogengemeente horen, met name met betrekking tot het godsdienstonderwijs met leraar Rosenbaum tevreden".

De Dorstener gemeente, die voor het grootste deel de "oudmosaÔsche" ritus toegedaan was, was opnieuw in de opperrabbijn teleurgesteld en weigerde dus andermaal, net zoals 40 jaar eerder, zijn reiskosten te vergoeden.

En in Groningen...



En in Lublin..