Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Dorsten 1820: "Handtastelijkheden in de synagoge zelf"


In juni 1820 deden vier van de acht joodse families in Dorsten hun beklag bij de burgemeester...

..., dat de overige families onder leiding van Samson Nathan Eisendrath niet meer aan de gemeenschappelijke godsdienstoefeningen wilden deelnemen. Eisendrath zou de synagoge eigenmachtig naar zijn huis verplaatst en in dit verband de toratollen, andere "kerkelijke voorwerpen" en geld uit de armenkas meegenomen hebben. Omdat een godsdienstoefening alleen kon plaatsvinden, wanneer tien mannen samen zijn alsmede om "de joodse zaken in orde" te brengen, verlangden de klagers dat de afvalligen zouden worden bestraft.

Met de vestigingsvergunning voor twee joodse families had in 1808 in Dorsten na een eeuwenlange uitsluiting uit de steden in Westfalen de opbouw van een nieuwe joodse gemeente begonnen.
De landrabbijn Abraham Sutro De landrabbijn Abraham Sutro (1784–1869).
Afbeelding: Joods Museum Westfalen
Met de "Dorstener synagogenstrijd" van 1820 hielden de autoriteiten zich intensief bezig. De synagoge hier was een eenvoudige gebedsruimte, dat de eerste joodse huisvaders in 1809 in een christelijke privéwoning ingericht hadden. Er bestonden klaarblijkelijk allang conflicten. Op 29 juni 1820 schreef de burgemeester aan de landrabbijn Abraham Sutro in Munster: "Er komen echter vaak klachten en conflicten tussen de iraŽlitische gemeenten in deze plaats voor, ... maar hoe zeer ik ook wens dat het rustig wordt, ik zie mij desondanks niet in staat om de reden of niet-reden van deze twist te beoordelen (...), daar de joodse gemeente eigen, mij onbekende wetten heeft, die mij door de ene partij zo en door de andere weer anders verklaard worden."

Meningsverschillen en afscheiding


De landrabbijn verzocht allereerst de burgemeester, om "de leden van de genoemde gemeente ernstig en streng tot de orde te roepen, en wel met de vermaning dat degene die zich in de synagoge ongepast gedraagt streng naar de wet moeten worden bestraft".

Meningsverschillen, die volgens de burgemeester "hoofdzakelijk door het niet-nakomen van de voorgeschreven joodse privéwetten ontstaan", hadden reeds op Pessach in 1820 tot een splitsing geleid.
Omdat het uiteindelijk "zelfs tot handtastelijkheden in de synagoge zelf" gekomen was, vroeg hij op 9 september 1820 opnieuw om bemiddeling van de landrabbijn persoonlijk.
Wiesenstraat in Dorsten Aan de Wiesenstraat in de oude stad van Dorsten woonden jarenlang veel joodse gezinnen en hier bevond zich ook de synagoge van Dorsten.
Foto: Joods Museum Westfalen
Nathan Eisendrath – sinds 1816 door de Koninklijke Regering Munster tot "jodenbestuurder" benoemd – had bij het ambtelijke verhoor verklaard dat hij nu van zijn kant een klacht tegen de eisers wilde indienen. Zonder het persoonlijke ingrijpen van de landrabbijn leek een schikking niet meer mogelijk. Nathan betaalde het noodzakelijke voorschot voor de reiskosten, die later op de gemeente zouden worden omgeslagen.

Sutro schijnt laat in de herfst van 1820 in Dorsten te zijn geweest. Hij heeft echter niets bereikt. Toen namelijk burgemeester Gahlen de voorgeschoten reiskosten evenredig van de joodse families wilde incasseren, weigerden deze, "omdat de landrabbijn hun twistpunten niet voldoende beslecht" had.

Lees ook de volgende verhalen