Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


"Bij de onderwijsinspecteur" – antisemitische isolatie


Na beŽindiging van zijn studie probeerde Jakob Loewenberg bij het openbaar onderwijs aan de slag te komen.

Maar ondanks zijn aantoonbaar gekwalificeerde opleiding werd hem om twijfelachtige bureaucratische redenen de toelating tot het hoger onderwijs en de overheidsdienst geweigerd.

De ware redenen van de weigering lagen echter in de nog steeds geldende praktijk om joodse sollicitanten van een carrière bij de justitie en het onderwijs en aan de universiteiten uit te sluiten.

In zijn roman "Aus zwei Quellen" (Uit twee bronnen) vertelt Loewenberg in het hoofdstuk "Beim Schulrat" (Bij de onderwijsinspecteur) over een gesprek, dat de visiterende onderwijsinspecteur met de joodse leraar Moses Lennhausen voert, die aan een "christelijk atheneum" les geeft. Lennhausenís vakken zijn Duits en geschiedenis, "overtuigingsvakken", zoals de onderwijsinspecteur opmerkt, en voegt daar vervolgens aan toe, dat hij als intelligent mens toch moet inzien, "dat het eigenlijk een onmogelijkheid is, dat een joodse leraar christelijke kinderen geschiedenis moet bijbrengen", die voor de onderwijsinspecteur de geschiedenis van het christendom is.

"Uit twee bronnen"


En tenslotte: "Duitser en jood laten zich nou eenmaal moeilijk onder een noemer vangen." Het antwoord van de leraar is het commentaar op de titel van de roman; hij tracht te bewijzen, dat er wel degelijk overeenstemming bestaat: "Een Westfaals kind balt ook zijn vuist, wanneer het hoort, wat zijn voorouders door Karel de Grote werd aangedaan, is trots op de geschiedenis van zijn volk en kan desondanks toch een gevoel van respect voor de grote vorst opbrengen, voelt zich toch helemaal als Duitser. Ook de beek, die uit twee bronnen ontspringt, verenigt zijn water in de grote zee."

De onderwijsinspecteur blijft echter bij zijn mening, dat een jood geen christelijke kinderen les kan geven, tenzij hij zich bekeert. Onder deze voorwaarde mag hij blijven. Lennhausen is woedend, voelt zich beledigd: "U moet wel heel laag over mij denken, om zoín gemeenheid van mij te verwachten", zegt hij verontwaardigd. "Als hondsvot zou ik hier staan, wanneer ik uw lokmiddel zou volgen." De onderwijsinspecteur, ook zeer opgewonden, ontslaat Lennhausen op staande voet. "Nu is alles verloren", stelt de rector vervolgens teleurgesteld vast. "Alles, mijnheer de rector, heb ik misschien verloren", antwoordt Lennhausen, "alles, maar niet mijzelf."

(Een weergave van deze passage vindt men op de internetsite:
"Jüdische Literatur in Westfalen").

Joden als collega's ongewenst


Tien jaar voor de publicatie van de roman noteert Loewenberg op 13 juli 1892 de volgende gebeurtenis: "B. heeft op school een proefles gegeven en werd toch niet aangenomen. (...) Het is verschrikkelijk om zoiets te denken ... Maar er zijn desalniettemin collegaís gekomen en hebben de rector verzocht om geen joodse collega in dienst te nemen. Zes jaar goedwillend op de school gewerkt, met ijzeren vlijt – tegenover de collegaís altijd vriendelijk, hulpvaardig en terughoudend – ze zouden me eigenlijk als een ideale leraar moeten zien – maar toch een jood. Jood is de enige reactie, die men in hun borst gewekt heeft."

Loewenberg begint met het verhaal van collega B. – en komt klaarblijkelijk bij zichzelf terecht, bij de eigen bittere ervaring. Het is begrijpelijk dat sommigen de druk niet konden weerstaan en "zich bekeerd" hebben.

Op het probleem van deze aanpassingsdruk kwam Loewenberg later in zijn literaire werk weer terug.