Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Een dorpsjongen uit Westfalen


Toen Jacob Loewenberg, nadat men hem lange tijd vergeten had, in zijn vroegere Westfaalse geboortestreek weer ontdekt werd, stelde men vast, dat de biografie van deze dorpsjongen exemplarisch voor een hele generatie van joden in de tweede helft van de 19de eeuw was, die carrière wilde maken.

Een mars van een marskramer uit Westfalen Een rugmand van een marskramer uit Westfalen.
Foto: Joods Museum Westfalen
In Niederntudorf bij Salzkotten, waar Loewenberg op 9 maart 1856 als 9de kind van Levi Löwenthal en zijn vrouw Friederike (Riwka) Rose geboren werd, leefden verschillende joodse families midden in een katholiek gekleurd dorp. Jakobís familie behoorde tot de voor Westfalen typische plattelandsjoden.

De vader was marskramer, noemde zich echter "handelsman", zoals het destijds onder de joodse handelaren normaal was. "De gemeente", zo beschrijft Loewenberg vele jaren later het joodse milieu in zijn autobiografisch geaarde roman "Aus zwei Quellen" (Uit twee bronnen), "bestond slechts uit een paar families, die bijna allemaal hun karige maaltijd moeizaam moesten verdienen. De enige van hen, die het goed ging, had een boerderij; een was verver en de anderen waren handelaren. De ene handelde met koren, de tweede met vellen, de derde met kleding, de vierde met vee en de vijfde met dat alles samen en nog vele andere dingen meer. Die vijfde was mijn vader."

Vooroordelen van de volwassenen


De samenleving van joden en christenen in het dorp hören Sie dazu einen kurzen Audiobeitrag was niet altijd zonder problemen, maar dat lag aan de volwassenen en hun vooroordelen. "Wanneer de volwassenen niet gestoord hadden, dan zouden de joodse en christelijke jongens en meisjes verder gewoon op dezelfde manier met elkaar zijn omgegaan, zoals ze dat als kleine kinderen al gedaan hadden. Voor kinderen zijn alle gegeven omstandigheden natuurlijk; omdat voor hen alles nieuw en anders is, is juist niets anders, en ze zouden zelf nooit op het idee gekomen zijn, dat men zich tegenover mensen met een andere kleur haar of een andere vorm van de neus ook anders gedragen moet. Wanneer men echter bij de een of andere gelegenheid hoorde: 'Da heste den Jiuden, – of 'so was kan nur bei Eiszews [van Esau = niet-joden] passieren' ('Daar heb je die jood' – 'Zoiets kan alleen bij Eiszews voorkomen'), dan spitsten zich de jonge oren en de kreet 'olle Jiude' (ouwe jood), 'olle Christ' (ouwe christen) hoorde men spoedig over en weer. En dan bemerkten de nieuwsgierige ogen nog andere verschillen: ander eten, andere feestdagen, andere kerken, ja, zelfs een andere taal, want in de joodse families werd (...) uitsluitend Hoogduits gesproken, hoewel iedereen Platduits verstond en in het alledaagse leven gebruikte. Nu voelden wij ons door het woord jood wel beledigd, maar niet gekrenkt. Diep in ons hart hielden wij ons niet alleen voor anders, maar ook voor veel beter dan onze christelijke kameraden en we keken met dezelfde minachting op hun kerkelijke gebruiken en instellingen neer, zoals zij op onze."