Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Opleiding als carrièrekans: Jakob Loewenberg


De bevrijding uit de armoede van het kleine luidenmilieu lukte Jakob Loewenberg (1856–1929)...

Jakob Loewenberg als jonge leraar Jakob Loewenberg als jonge leraar op ca. 19jarige leeftijd omstreeks 1875.
Foto: Leo Baeck Institute, New York
... door de verwezenlijking van zijn reeds in jonge jaren gewekte wens, namelijk om leraar te worden.

Opleiding gold als weg uit getto en armoede. "Wat wil je worden?" – "Leraar!" Zo begint het hoofdstuk "De nieuwe leraar" uit de roman "Aus zwei Quellen"
(Uit twee bronnen). "Wie mij dit antwoord als eerste heeft ingefluisterd, of dat dit meteen van binnenuit kwam, weet ik niet. (...) Bij mij stond de keuze van dit beroep allang voor mijn schooltijd vast en ik heb er tijdens mijn ontwikkeling nooit aan gedacht, dat ik überhaupt iets anders zou kunnen worden."

Menselijkheid en patriotismus


Na de zesjarige basisschool bezocht Loewenberg vanaf 1870 als seminarist de gerenommeerde Marks-Haindorf-Stichting in Münster. De "Marks-Haindorfsche Lehrerbildungsanstalt" (pedagogische academie) gold als een in Pruisen uniek centrum voor de opleiding van joodse leraren, dat niet alleen methodisch zeer modern was, maar ook onder sterke invloed van het praktische humanisme en het Pruisische patriotisme stond.

In deze tijd valt in 1871 de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Daardoor werd de voor de Noord-Duitse Bond uitgevaardigde emancipatiewet van 1869 voor het gehele Rijk geldig. Deze wet maakte een einde aan de beperking van de burgerlijke en staatsburgerlijke rechten, die op het verschil tussen de religieuze confessies baseerde en tot dan toe joden van alle staatsambten alsmede de dienst bij justitie, politie en op scholen had uitgesloten.

In 1873 legde Loewenberg het eerste basisexamen voor leraren af en onderwees in de daaropvolgende periode aan verschillende joodse basisscholen. Tussen 1877 en 1879 slaagde hij kort na elkaar voor het tweede basisexamen, het examen voor leraar aan middelbare scholen en het rectoraatsexamen. Maar dat was nog niet genoeg; in 1881 reisde hij naar Londen en vervolgens naar Parijs om zijn door privélessen bij een katholieke kapelaan verworven taalkennis te verdiepen. Zijn levensonderhoud financeerde hij met het geven van bijlessen.
Uit deze tijd zijn "ongedrukte brieven en dagboeken" bewaard gebleven die zich in Loewenberg’s nalatenschap bevinden. Hier kan men lezen hoe moeilijk het was om met het geven van bijlessen zijn levensonderhoud te verdienen. Op 25 november 1881 noteert hij tijdens zijn verblijf in Londen: "Ik ben blij dat ik Duitser, dat ik jood en leraar ben; ik ben er trots op, maar zijn deze drie factoren sterk genoeg om mij tegen de honger, en misschien ook tegen het verhongeren te beschermen? Idealen? O, wat mooi, wat geweldig, wat verheven. Maar waar blijven deze, wanneer je maag vraagt, waarvan je moet leven?"

Studie bij Hermann Cohen


Na zijn terugkeer begon Loewenberg in1884 een filosofie- en talenstudie, en wel allereerst aan de universiteit Marburg bij de filosoof Hermann Cohen, die een diepe indruk op hem maakte. Loewenberg had in deze tijd reeds van het geloof uit zijn kindheid afstand genomen. In het denken van Cohen kon hij de verzoening van religie en verlichte ratio vinden. Voor de joodse rationalisten is het jodendom een door de profeten verkondigd ethisch monotheïsme dat zijn realisering in een socialistische betrokkenheid vindt.

Loewenberg’s geloof werd onder invloed van Cohen tot een "belijdenis tot God aan gene zijde van het tradioneel bovennatuurlijke geloofsbegrip". De filosofie van Cohen liet hem zien, "hoe nauw jodemdom en (protestants) christendom, hoe nauw dus joden en Duitsers, voorzover ze zichzelf op de juiste manier begrijpen, met elkaar verwant zijn".
Loewenberg’s boek "Aus zwei Quellen" (binnentitel) Loewenberg’s autobiografische roman "Aus zwei Quellen" – binnentitel.
(Joods Museum Westfalen)

"Maar gelovig zal ik niet meer worden"


In Loewenberg’s roman "Aus zwei Quellen" (Uit twee bronnen) beschrijft de hoofdpersoon Moses Lennhausen zijn nieuw gevonden religieuze inzichten: "Het boek (de Bijbel), dat ik enige tijd verachtte, omdat ik niet meer aan zijn wonderen geloofde, het Boek der Boeken vervulde mij, toen ik erop terugkwam, met onbegrensde eerbied. Het scheen mij als een groot epos, als het epos der mensheid (...). Alles wat een mensenhart in beroering of tot rust brengt, haat en liefde, schuld en berouw, twijfel en geloof, alles wordt met een fascinerende natuurlijke waarheid geopenbaard. Tot uiteindelijk de stem van de profeten klinkt (...). Maar gelovig werd ik niet opnieuw."

Vervolgens ging Loewenberg naar Heidelberg, waar hij met het antisemitisme onder de studenten geconfronteerd werd, onder andere door primitieve krabbels op de banken van de collegezalen: "Weg met de joden!" Zijn lidmaatschap in een studentencorps eindige al spoedig wegens de ingevoerde "Ariërparagrafen". In 1886 promoveerde hij tot Dr. phil.

Loewenberg’s eerste pogingen om als leraar aan het werk te komen mislukten door de heersende praktijk om joden niet bij het onderwijs toe te laten. Pas in 1886 kon hij in Hamburg een betrekking krijgen.

Lees ook de volgende verhalen