Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


De familie Meijer in Bedum


Bedum, zoín tien kilometer ten noorden van de stad Groningen, was ooit zoín doodgewoon Gronings dorp met een kleine joodse gemeenschap van onder anderen veehandelaren.

Jozef Meijer Paspoortfoto van Jozef Meijer. Zijn paspoort werd na zijn dood in Auschwitz op zijn laatste onderduikadres teruggevonden.
Foto: collectie D.P. van Dis
In 1889 leefden in Bedum nog vijfentwintig joden, tien jaar later waren het er maar vijftien. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 leefden in Bedum zelfs nog maar twee joden: Jozef Meijer en zijn vrouw Regina Meijer-Cohen. Net als overal op het Groninger platteland kwam de afname van het aantal joden in Bedum door de industrialisering. Sinds 1860 vond de handel in Nederland steeds meer in de steden plaats.

Voor joden bood het platteland daardoor steeds minder bestaansmogelijkheden. De joodse jongeren zochten hun bestaan in de stad, in dit geval vaak de stad Groningen.

Niet naar de stad vertrokken


Maar Jozef en Regina bleven in Bedum wonen. Net als de meeste joodse veehandelaren in de provincie Groningen woonden ze niet tussen de weilanden, maar midden in het dorp in een nog steeds bestaand huisje aan het Boterdiep Westzijde nr. 13. Hun dochter Charlotte Julia (ook wel Lotty genoemd) werd geboren in 1909. Maar Lotty bleef, net als veel joodse jongeren op het platteland destijds, niet in haar geboorteplaats wonen. Nadat ze een tijdje als laborante in de zuivelfabriek van Bedum gewerkt had, trouwde ze met Joseph Cohen en ging ze in de stad Groningen wonen. Haar man had daar een goede baan. Lotty overleed al in 1936 aan een dodelijke ziekte. Ze ligt begraven op de joodse begraafplaats Selwerderhof in Groningen.
Regina Meijer-Cohen Regina Meijer-Cohen.
Foto: collectie D.P. van Dis

Herinneringen aan een "statige" man


Haar vader Jozef (Bedum, 1876) handelde in schapen en stamde uit een (vee-)handelarenfamilie. Nog steeds zijn er Bedumers die zich deze "statige" man herinneren. Ze zagen Jozef op zijn fiets rond het dorp tussen de weilanden rijden, op zoek naar rondlopende handel, koeien dus. Een van die getuigen is Nelly Braaksma (1930). Zij kwam als schoolmeisje vier keer per dag langs het huisje van de Meijers. Wat zij zich herinnert, maakt duidelijk dat het gezin door de andere dorpsbewoners als "mysterieus" werd gezien. "Vooral zijn grote bruine ogen en zijn donkere uiterlijk vielen mij op. Zulke mensen zag je in het dorp niet veel. Anderen gingen op zondag nog wel eens samen wandelen in het dorp, maar zij niet. Je wist verder niet veel van ze. Alleen dat ze een andere godsdienst hadden. En dat een buurmeisje bij hen op de Sabbat Deze term opzoeken in het glossariumde lampen aanstak."
HerensociŽteit De Eendracht in Bedum Jozef Meijer (links vooraan) was lid van de voorname herensociŽteit De Eendracht. De Jood Meijer stond in Bedum kennelijk hoog genoeg in aanzien om lid te mogen worden.
Foto: collectie D.P. van Dis

Gerespecteerd in het dorp


Toch was Jozef een gerespecteerd man in het dorp. Op een foto uit 1935 is te zien dat hij lid was van de voorname herensociŽteit De Eendracht. Dit was de elite van Bedum: de dokter, de directeur van de gasfabriek, het schoolhoofd en een hotelhouder. Maar tijdens de Duitse bezetting moest Jozef zijn lidmaatschap van De Eendracht opzeggen. Niet omdat de andere leden dat wilden. Maar omdat de bezetter bepaalde dat joden geen lid meer mochten zijn van niet-joodse organisaties.

Jozef en Regina verging het in de oorlog als veel joden: ze doken onder en werden vergast in een concentratiekamp. Tijdens hun onderduikperiode zwierven ze van het ene adres in of in de buurt van Bedum naar het andere. Hun laatste onderduikadres was in de brugwachterwoning naast de ophaalbrug tussen Bedum en Zuidwolde.