Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Joden op de veemarkt


Joodse veehandelaren zagen er op de markt net zo uit als hun niet-joodse collega’s: ze hadden een pet op, droegen klompen en spraken Gronings.

Handelaren op de Veemarkt in Groningen Handelaren op de Veemarkt in Groningen. Joodse veehandelaren spraken vaak Jiddisch met elkaar zodat niet-Joodse handelaren niet konden horen welke prijsafspraken ze maakten.
Foto: collectie RHC Groninger Archieven
Toch werden op de veemarkt ook veel woorden uit het Jiddisch (joodse volkstaal) gebruikt, ook door niet-joodse handelaren. Deze namen allerlei Jiddische woorden van hun joodse collega’s over, en dan vooral de Jiddische getallen. Zo ontstond een vakjargon voor veehandelaren dat bestond uit Jiddische en Nederlandse woorden. Zelfs na de oorlog bleven niet-joden op de veemarkten deze Jiddische woorden gebruiken.

Geheimtaal


Maar de joodse veehandelaren spraken ook vaak echt Jiddisch met elkaar, zodat niet-joden hen niet of nauwelijks konden verstaan. Dat deden ze omdat ze soms een geheimtaal nodig hadden als ze onderling wilden overleggen over de prijzen van de beesten die ze wilden verkopen. De niet-joodse klant mocht dit dan niet verstaan. Zoals een joodse veehandelaar een keer in een interview zei: "Als er gojje (niet-joden) bijkwamen dan zeiden we: die motten niet horen wat we zeiden. Dan schmusen we jiddisch."
Paardenslagerij in de Folkingestraat, begin van de 19e eeuw Paardenslagerij in de Folkingestraat, begin van de 19e eeuw. De eigenaar, Mozes Nijveen, was Joods. Dat is merkwaardig, want Joden mogen geen paardenvlees eten omdat het niet kooosjer is.
Foto: collectie RHC Groninger Archieven
Joodse veehandelaren en joodse klanten onderhandelden met elkaar vaak in een mengsel van Gronings dialect, Nederlands en jiddisch. Zo’n gesprek zou zo gegaan kunnen zijn: "Hei je veel beheime aan de sjok? (Heb je veel koeien op de markt?) En hoe was de massematten gisteren? (Hoe was de handel gisteren?) Wat voor meke vroag je voor die beime? (Hoeveel geld vraag je voor die koe?) Wat is het voor een beime? (Wat is het voor een beest?)."

Zelfs handel in varkens


Overigens handelden sommige joden in het begin van de 20e eeuw niet alleen meer in koeien maar ook in varkens. Dat is een beetje vreemd, want joden mogen zelf geen varkensvlees eten. En daarom mogen ze er ook niet in handelen. Voor de handel in paarden en ezels werd een uitzondering gemaakt. Dat mochten joden wel. Deze dieren waren immers niet bedoeld om opgegeten te worden. Merkwaardig is dan toch weer dat er in de Folkingestraat in Groningen joodse paardenslagers waren. Hun klanten waren natuurlijk niet-joods.

En in Westfalen...