Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Jiddisch schmusende veehandelaren op het Groninger platteland


"Hei je veel beime aan de sjok? En hoe was de massematten gisteren?"

Zulke vragen stelden joodse veehandelaren elkaar vroeger nog wel eens als ze op de veemarkt sehen Sie dazu einen kurzen Filmausschnitt onderling Jiddisch spraken.

In de provincie Groningen waren veel joden veehandelaar van beroep. Door niet-joden werden ze wel eens gewantrouwd omdat ze hun eigen joodse gewoonten en taal hadden. De joodse veehandelaren werden als een beetje vreemd gezien, maar ze werden ook gerespecteerd.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog werkten in de veehandel in Nederland veel joden hören Sie dazu einen kurzen Audiobeitrag. Dat was vaak te zien doordat in de buurt van veemarkten vaak eetgelegenheden waren waar je koosjer (voor joden toegestaan voedsel) kon eten. Ook werden veemarkten vaak naar een andere datum verzet, als ze op een joodse feestdag (wanneer joden niet mogen werken) zouden vallen.
Rekening van slager Van Rijn uit Groningen, 1886 Uit 1886 daterende rekening van slager Van Rijn uit Groningen.
(RHC GrA Tg 909 invnr. 1565)

Behoefte aan kosjer vlees


Als sinds de zeventiende eeuw werkten vooral in het noorden en oosten van Nederland veel joodse veehandelaren, slagers en huidenhandelaren. Daarvoor zijn een paar verklaringen. Steeds meer joden uit Oost Europa en het westen van Nederland waren in dit gebied gaan wonen. Ze vormden joodse gemeenschappen waar behoefte bestond aan kosjer vlees. Daarom moesten er joodse slachters en slagers komen.

Vaak konden die slagers niet alleen van hun slagerij leven omdat er te weinig joodse klanten waren. Daarom gingen joodse slagers ook handelen in vee. Dat was voor hun maar een kleine stap want ze gingen toch al vaak de boer op om vlees voor hun eigen slagerij in te kopen.
Joodse en niet-joodse slagers in 1806 in een Groninger regio. Aantallen joodse en niet-joodse slagers in een Groninger regio in 1806.
(E. Schut, Geschiedenis van de joodse gemeenschap in de Pekela’s 1683–1942, p. 99)

Voordelen van het werken als veehandelaar


Maar er waren meer redenen voor joden om in de veehandel te gaan. Volgens de joodse traditie is werken op sabbat (zaterdag) verboden. Als je voor een baas werkte, moest je wel op zaterdag werken. Als je een vrij beroep had, zoals veehandelaar, kon je zelf bepalen wanneer je werkte. Ook was het zo dat je voor 1800 bij een gilde moest zijn aangesloten om bepaald werk te mogen doen. Voor joden was het moeilijk of te duur om lid te worden van gilden.

(Vee-)handelaar worden konden ze wel, omdat je daar geen lid van een gilde voor hoefde te zijn. En toen de gilden rond 1800 werden afgeschaft, bleef het in joodse families vaak traditie om in de veehandel te blijven werken.

Vanaf ongeveer 1880 werd dat heel anders. Het aantal joodse veehandelaren op het platteland van de de provincie Groningen werd steeds kleiner. De joodse jeugd had geen zin meer om op het platteland te blijven wonen. Ze gingen liever naar de grote steden waar ze konden studeren en werk konden vinden. Maar ook hun ouders zochten steeds vaker hun heil in de stad, omdat daar de verkeersverbindingen beter waren en er meer mogelijkheden waren om hun bedrijf uit te breiden.

Lees ook de volgende verhalen