Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


De burgerlijke gelijkstelling van 1796


In 1776 had de joodse gemeente een nieuw reglement gekregen.

Hierin stond dat de parnassim voor het leven waren benoemd en dat zij hun eigen opvolging konden regelen. Bovendien hadden was hun een vrijwel absolute macht toebedeeld over de leden van de joodse gemeenschap. Hoe ver die macht reikte, ondervond Hartog Mozes Perels in 1793. Na in het verleden al herhaaldelijk met parnassim en rabbijn overhoop te hebben gelegen, was voor hen in 1793 de maat vol. Op hun voorspraak verbande het stadsbestuur de onruststoker uit de stad. Alleen omdat hij beterschap beloofde, voerde men de maatregel niet uit.

In 1795 viel het Franse leger Nederland binnen. De oude statenbond, waar de elites het voor het zeggen hadden, werd vervangen door een centraal geleide staat.

In tegenstelling tot vroeger kregen de burgers nu invloed op hun regering. Ze mochten een volksvertegenwoordiging kiezen, die de regering kon controleren. Maar een van de eerste taken van de Nationale Vergadering, zoals de naam van het parlement luidde, was het opstellen van een grondwet. In 1795 proclameerde het parlement al de Rechten van de Mens, waarin onder meer stond dat alle burgers gelijk waren.
Rechten van de mens in het Hebreeuws, circa 1795 Rechten van de mens en burger in het Hebreeuws uit circa 1795.
(Amsterdam, Bibliotheca Rosenthaliana)

Joden bleven buitengesloten


Lokale machthebbers in de nieuwe staat waren van deze gelijkheid allerminst doordrongen. Zij bleven joden uitsluiten van deelname aan het politieke leven en maatschappelijke hindernissen bleven in stand. In 1796 diende een groepje joden uit Amsterdam een verzoek in bij het parlement om een eind aan deze ongelijkheid te maken. Na een uitvoerige discussie nam de Nationale Vergadering in 1796 unaniem een wet aan, waarin stond dat joodse burgers voortaan dezelfde rechten en plichten hadden als de niet-joodse burgers. Kort daarop nam dezelfde vergadering een wet aan, waarin de scheiding van kerk en staat was vastgelegd. Deze scheiding was voor de joden belangrijk: de door de plaatselijke overheid goedgekeurde reglementen verloren nu hun geldigheid. De macht van de parnassim was hiermee wettelijk beknot, maar in de praktijk nog lang niet.

In Groningen waren wel al meteen de uitwerkingen van de toekenning van de politieke rechten merkbaar. Joden namen deel aan een referendum over de nieuwe grondwet en aan de verkiezingen voor de volksvertegenwoordiging. Mozes Abrahams Perels was te oud (hij overleed in 1799 op ongeveer honderdjarige leeftijd) om aan deze veranderingen deel te hebben. Dat gold niet voor zijn zoons Hartog en Lazarus Perels. Beiden behoorden tot het groepje joden dat actief gebruik maakte van de nieuwe omstandigheden. De broers namen deel aan alle verkiezingen voor het parlement.

Gevolgen op de lange duur


Met betrekking tot het bestuur van de joodse gemeente hadden de veranderende politieke omstandigheden pas op de lange duur grote gevolgen. Weliswaar kwamen al in 1795 sommige joden hiertegen in opstand en stelden het absolute gezag van parnassim ter discussie. En ook in de volgende jaren stelden groeperingen zich te weer tegen de in hun ogen ondemocratische gang van zaken bij de samenstelling van het bestuur. Ook hierbij speelde de broers Perels een prominente rol. Want ondanks "dat een ieder dadelijk in het genot wierde gesteld van die rechten, welke hem als mensch en burger onvervreembaar toekwamen [bleven] zij onder het harde juk van overheersching, zelfs met betrekking tot de huishoudelijke zaken, […] zuchten."

Men voerde enkele cosmetische wijzigingen door in de bestuursinrichting, maar bleef veel gelijk. Pas met de oprichting van het Opperconsistorie in 1808 vonden fundamentele veranderingen plaats in de wijze waarop joden invloed hadden op de samenstelling van hun bestuur.