Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


De toelating van joden tot de gilden


De gilden verzetten zich in Groningen het felst tegen de vestiging van joden.

Zij beklaagden zich dan ook veelvuldig over de lakse houding van het stadsbestuur wat betreft de vestiging van joden. In tegenstelling tot christelijke nieuwkomers werd bij de joden geen onderzoek ingesteld of ze wel in staat waren om in hun levensonderhoud te voorzien. Volgens de gildebesturen maakten de joden zich veelvuldig schuldig aan onderkruiping van de gildenbepalingen. Voor het stadsbestuur waren deze klachten aanleiding een onderzoek in te stellen.

Een speciale regeling


In 1754 resulteerde dat in een regeling speciaal voor joden. Alle joden die korter dan vijf jaar in de stad woonden, moesten aantonen dat ze op legale wijze in hun levensonderhoud konden voorzien. Joden die dat niet konden bewijzen, moesten de stad verlaten. Voor hen die al langer in de stad woonden gold een generaal pardon. Mozes Abrahams Perels uit Praag was een van de nieuwkomers die nog geen vijf jaar in de stad woonde. Hij kon kennelijk wel in zijn levensonderhoud voorzien, want hij kreeg een woonvergunning.
Rol van het koopliedengilde te Groningen, 1610 In dit prachtige met zilver beslagen boek of rol uit 1610 van het koopliedengilde van de stad Groningen werden de namen van de gildeleden aangetekend.
(RHC GrA Tg 1325)
Het belangrijkste gilde waar de joden mee te maken kregen was dat van de kooplieden. Het bestond al sinds 1362. Het regelde de belangen van de marktkooplieden, handelaren en winkeliers. Iedereen die een winkel wilde drijven of handelen in een nieuwe producten, mocht dat alleen doen als hij lid van het gilde was. Voorwaarde voor het lidmaatschap was het bezit van het burgerrecht van de stad en de betaling van entreegeld. Rond 1750 konden joden zonder al te veel problemen lid van dit gilde worden. Maar dit was niet vanzelf gegaan. Pas na druk van het stadsbestuur liet het gilde joden toe.

Weerstand


De openstelling voor joden van andere gilden stuitte op veel meer weerstand. Vooral het slagersgilde verzette zich heftig. Op het platteland, waar geen gilden bestonden, vervulden de joden als slagers een vooraanstaande rol. In veel plaatsen overvleugelden zij hun christelijke collega’s, doordat ze goedkoper waren en betere kwaliteit leverden. Veel van deze slagers beconcurreerden zelfs hun stedelijke beroepsgenoten. In herbergen in de nabijheid van de stad, maar buiten het stedelijke rechtsgebied, hielden zij publieke verkopingen. De stedelingen maakten hier massaal gebruik van.

Toen dan ook een christelijke slager in 1774 een jood als gezel in dienst nam, weigerde het gildebestuur dit goed te keuren. De weigering was gebaseerd op de angst dat meer joden zich als gezel zouden laten inschrijven. En dat zij na hun leerperiode als zelfstandige slager nog meer joodse gezellen in dienst zouden nemen. Het bestuur vreesde dat zo binnen korte tijd de joden in het gilde de dienst zouden uitmaken. Het stadsbestuur was doof voor deze argumenten en beval de toelating.

Veranderende opvattingen


In 1787 toont een soortgelijk geval de veranderende opvatting over joden bij sommige gildeleden. De slager Abel Goutier nam een zoon van Mozes Abrahams, Hartog Mozes geheten, als gezel in dienst. Hij was van mening dat als de joden zich op een eerlijke (eerlijk wil hier zeggen als gildelid) kostwinning toe zouden kunnen leggen, dit tot voordeel van de gehele maatschappij zou zijn. Het bestuur verzette zich opnieuw. Het probeerde zelfs de gildenbepalingen zodanig te veranderen, dat voortaan alleen christenen gezel of lid van het gilde konden worden. Maar ook deze poging was vergeefs; het stadsbestuur gelaste de toelating van Hartog Mozes.

Voor de gildenbesturen bleef openstelling voor joden een moeilijk te verteren zaak. Hoewel alle tekenen in de maatschappij wezen op een toenemende emancipatie van de joden, bleven zij vasthouden aan hun oude vooroordelen. Nog in 1792, drie jaar na de afkondiging van de rechten van de mens in Frankrijk, probeerde het schoenmakersgilde de jood Mozes Izaks als gezel te weren. Hij deed zijn beklag bij het stadsbestuur en schreef niet te weten "dat er een wet is de jooden daar van te weeren, te meer daar er in deze stad geadmitteerde joden zelvs leden van het slagersgilde zijn [en evenmin] dat des suppliants religie […] daartegen obsteert". Het standpunt van het stadsbestuur was duidelijk: men mocht niemand het lidmaatschap van een gilde weigeren omdat hij van joodse afkomst was.