Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Van verscheidenheid naar eenheid: de kehilla


De normen en waarden van het joodse geloof bepaalden in grote mate het leven en het handelen van de joden in de diaspora.

Bladzijde uit het kasboek van de joodse gemeente Groningen, 1783. Bladzijde uit het kasboek van de joodse gemeente Groningen met vermelding van het bedrag dat men onder andere moet betalen voor een zitplaats in de synagoge, 1783.
(RHC GrA Tg 1605 invnr. 152r)
Halverwege de 18e eeuw bestond de joodse gemeenschap in Groningen voornamelijk uit migranten. Zij hadden zich in Groningen gevestigd in de hoop hier een betere toekomst op te kunnen bouwen of waren, net als Abraham Mozes Perels, verdreven uit hun vorige woonplaatsen. Maar ongeacht waar de joden vandaan kwamen, hadden zij het gevoel te behoren tot een "joodse natie". Zij waren met elkaar verbonden door de verplichtingen die uit hun religieuze wetten voortvloeiden. Die bepaalden een groot deel van het dagelijks leven.

Een gevoel van saamhorigheid


Het saamhorigheidsgevoel van de joden werd bovendien versterkt omdat zij vanwege hun religie en afwijkende culturele gewoonten bloot stonden aan de vijandschap van de niet-joodse omgeving. Desondanks bestonden er wel degelijk verschillen tussen individuele joden uit allerlei windstreken, die allemaal hun eigen opvattingen hadden over het jodendom. Om van een dergelijke heterogene groep Groninger joden te maken, speelden de joodse gemeente en allerlei verenigingen een grote rol.

In 1744 organiseerden de Groninger joden zich in een Kehila. Ze kozen parnassim om hun belangen te behartigen. Voortaan konden ze met een stem spreken in hun communicatie met het stadsbestuur. Ook werden er gedragsregels of takanoth ha-Kahal opgesteld die de onderlinge verhoudingen binnen de joodse gemeenschap regelden.

Vormgeven aan joods leven


Zich organiseren was eveneens belangrijk voor het vorm geven aan "joods leven". Want daarvoor waren voorzieningen nodig zoals bij voorbeeld een synagoge, begraafplaats, ritueel bad, rituele slachters, schrijvers, voorzangers, onderwijzers en een rabbijn. Dergelijke instellingen en functionarissen kostten natuurlijk wel geld. Via een systeem van belastingheffing zorgden parnassim voor voldoende inkomsten om dit te kunnen bekostigen.
Foto van de uit 1756 daterende synagoge Foto uit circa 1900 van de uit 1756 daterende synagoge.
(Foto: RHC GrA Tg 1785 invnr. 8512)
Parnassim gingen voortvarend te werk: in 1747 werd een begraafplaats aangelegd. In 1754 benoemde zij een rabbijn. En in hetzelfde jaar gaven zij de opdracht voor de bouw van synagoge met rabbinaathuis. Vóór die tijd moest de joden zich tevreden stellen met een huissynagoge, die slechts aan weinig mensen plaats bood. De feestelijke opening van het nieuwe gebouw in 1756 vond plaats in aanwezigheid van het voltallige stadsbestuur en andere hoogwaardigheidsbekleders.

Iets later nam men tevens een voorzanger, ritueel slachter, koster en onderwijzers in dienst. Achter en naast de synagoge kocht men huisjes voor de huisvesting van armen en zieken. Dit alles gaf in een tijdbestek van iets meer dan tien jaar joods Groningen een totaal ander gezicht, waar "joods leven" in al zijn verschillende aspecten mogelijk was.

Liefdadigheid


In elke Kehila ontstonden vroeger of later liefdadige instellingen of chewrot. Ze vervulden een belangrijke sociale en religieuze rol in het dagelijks leven. Het bood joden de mogelijkheid om aan de religieuze taak van liefdadigheid (zedaka) inhoud te geven. De oudste vereniging was de in 1759 gestichte Menora Thora (Rein Licht). Het doel was de vervaardiging lijkwaden, het bijstaan van kraamvrouwen en het geven van ondersteuning armen. De mannelijke tegenhanger Gemilut Chasadim Kabranim (Beoefening der Weldadigheid) ontstond pas in 1778. In 1809 werd de vrouwenvereniging Mesjivas Nefesj (Verkwikking van de Ziel) opgericht, met als doel het ondersteunen van armen in de winter. Voor het bekostigen onderwijs aan kinderen van arme ouders, gratis verschaffen van een grafsteen aan armen en waken bij diens graf, richtten men in 1786 Talmud Thora (Studie van de Thora) op.

"Lerende conversatie"


Dergelijke verenigingen waren erg belangrijk voor de cohesie van de joodse gemeenschap in Groningen, met inwoners die overal vandaan kwamen. Een illustratie daarvan is te zien aan de hand van een vergadering van een tiental lidmaten van Gemilut Chasadim Kabranim in het huis van de uit Bratislawa afkomstige Salomon Levie Leidersdorff. Gedurende een "lerende conversatie" ontstonden meningsverschillen tussen de aanwezigen. De bejaarde onderwijzer van de vereniging, de uit Hamburg afkomstige Michiel Cohen, stuurde men naar de rabbijn om hierover een uitspraak te vragen. Dit antwoord kon niet ieders goedkeuring wegdragen. Er ontstond een groot tumult. Drie zoons van Abraham Mozes Perels gingen de grijsaard te lijf. Uit de rechtszaak die hiervan het gevolg was, kennen we de namen van de aanwezigen: van de tien waren er zeven buiten Groningen geboren. Alleen de drie kinderen van Abraham Mozes waren geboren Groningers.

En in Westfalen...